Spekkoek.
Een half pond beste tarweblom, een pond natuurboter, tot schuim geklopt, een pond fijne witte suiker, ongeveer twee à drie eetlepels fijne kaneel, ongeveer twee eetlepels kruidnagelgruis, notemuskaat en kardemom naar smaak (b. v. een halve lepel van ieder) vijftien eieren, een klein weinigje zout.
Men klopt eerst de boter goed tot schuim (z.g. “witkloppen” en voegt er, onder aanhoudend kloppen, telkens wat suiker bij, tot het pond verbruikt is, daarna, een voor een, de 15 eierdooiers, die er ook doorheen worden geklopt. Vervolgens lepelsgewijze het meel er door doen men zie toe, dat het meel niet klonterig is of wordt [92:] en dan het tot schuim geklopte eiwit door de massa, met de specie (zooals de kruiden worden genoemd). Dit wordt goed door elkaar geklopt en geroerd; heeft alles naar eisch plaats gehad, dan bestrijkt men een springvorm met boter en bakt men den koek in den vorm, laag om laag – iederen keer elke laag met een veer gesmolten boter bestrijkend – daarna weer een laag, enz. Elke laag wordt op zich zelf gebakken, daarop wat boter en weer een laag van het deeg, dat daarna ook wordt gebakken. Zoo gaat men voort, tot het aangemaakte deeg voor de spekkoek verbruikt is.
N. B. Er zijn wel drie of vier soorten van spekkoek,
doch de aangegevene is voor hier te lande de gemakkelijkste bewerking.










